|
Hoewel
het beeld niet optimaal is, de gevoeligheid voor contrast en
beweging is echter
extreem goed ontwikkeld. Een vis zal dus zeker niet de details
van de kieuwen van een
meivlieg-nimf zien, maar de beweging van deze kieuwen zal hem
niet ontgaan.
Een
vis zal niet happen in een vlieg die ‘drag’ vertoont, een
onnatuurlijke beweging.
Dit kun je goed merken op stromend water. Indien de leader aan
de vlieg gaat trekken
kun je een aanbeet wel vergeten.
Impressionistisch ontwerp
Omdat
de vis een relatief slecht beeld heeft, zal het weinig zin
hebben om met zeer
realistische imitaties (steenvliegen van bijvoorbeeld Nathan
Drohm of Nico Slingeland)
te vissen. Om succesvol te vissen kun je volstaan met een
impressie van de vlieg en
niet een exacte kopie ervan.
Net
als impressionistische schilders als Monet en Renoir is een vis
niet geïnteresseerd in
een fotografische weergave van het beeld, maar uitsluitend in de
weergave van de essentie
van het object, dus eigenlijk datgene wat het herkenbaar maakt.
Het
uitgangspunt zal dan ook moeten zijn dat de vlieg (voor het
vissen) een goede indruk
moet geven op de vis en niet op de visser of zijn vismaten.
Natuurlijk is het binden van realistische vliegen een vak /
hobbie apart en erg kunstig, maar
om mee te vissen minder succesvol. Daarnaast kost het erg veel
tijd, tijd die je beter kunt
besteden aan vissen.
In het
boek van Gary A.Borger wordt hierover het volgende gezegd :
"The flies used for so discriminating a fish as the trout should,
first of all,
have the appearence of life."
Deze
uitspraak is in Amerika dan ook daadwerkelijk gestaafd met
allerlei experimenten
waaruit de volgende conclusie werd getrokken:
Vis
pakt een prooi op uitsluitend op basis van afmeting, vorm, kleur
en gedrag.
Opportunistisch voedselgedrag
Opportunistisch voedselgedrag van vis vindt plaats in bepaalde
periodes die op een
willekeurig tijdstip van de dag of het seizoen voor kunnen
komen. Deze periodes worden
gekenmerkt door een zeer beperkte aanwezigheid van (een bepaalde
soort) insecten en
onregelmatige voedselactiviteit van de vis. De vis wil voedsel
en eet dan ook alles wat hij
ziet. En hoewel afmeting, vorm, kleur en gedrag een grote rol
speelt, maakt het hem niet
uit wat de vorm, kleur, afmeting en het gedrag van het
aas is.
Op
deze tijdstippen wordt alles gepakt wat door hem als voedsel
wordt ervaren :
beetverklikkers, een takje, een pluisje en sigarettenpeuken.
Overigens is de ene vissoort opportunistischer dan de andere.
Karpers en brasems zijn
vreselijke vreetzakken en eten bijna alles wat voorhanden is. Op
een kalkrivier in
Engeland of Frankrijk zie je juist weer het tegenovergestelde.
De
afmetingen van het aas
Afmeting kan een bepalende factor zijn gedurende het
opportunistische voedselgedrag.
Tijdens deze tijden geldt de regel : groot aas, grote vis. De
vis is dan niet geconcentreerd
op een bepaalde voedselsoort, maar pakt vooral grote prooien om
veel energie te
verkrijgen. Wanneer je op deze wijze gaat vissen zul je echter
weinig kleine vis vangen
door het grote aas.
Als je
zeker weet dat er weinig grote vis is, kun je beter met kleiner
aas gaan vissen om
wat meer kleinere vis te vangen.
De
vorm
De
vorm van het aas moet in ieder geval overeen komen met de
aassoorten die de vis
gewend is te eten in zijn omgeving. Dit geldt met name in tijden
dat de vis selectief aast.
Tijdens opportunistisch aasgedrag maakt de vorm niet zoveel uit.
Op het Oostvoornse meer kun je dit goed zien als je vist met
zalmeitjes.
De forel die op dit water voorkomt heeft nog nooit een zalm
gezien (hopelijk komt dat nog
een keer), laat staan een eitje ervan. Toch is dit een van de
meest succesvolle patronen
voor dit meer.
Kleur
‘Onderwater vliegen’ gebonden met flitsende materialen erin
verwerkt (tinsel of flashabou),
iriserende kleuren (pauwstaart) of fluorescerende (glow-bug) materialen
vangen heel goed
gedurende opportunistische perioden omdat zij sterk opvallen ten
opzichte van de achtergrond.
Bij
grotere diepten wordt het licht door het water volledig
geabsorbeerd. In zoet water is al
het licht volledig verdwenen op een diepte van 12 meter. Rood
licht is reeds verdwenen op
een diepte van 1,2 meter en blauw licht pas op een diepte van 12
meter. Om deze reden is
een rode streamer op geringe diepte al snel grijs en verder naar beneden
zelfs zwart.
Ook op deze grotere diepten is het gebruik van de bovengenoemde
materialen in het
voordeel, omdat zij het nog aanwezige licht maximaal reflecteren
en in het geval van
fluorescentie, licht uitstralen bij een andere golflengte (een
soort black-light effect in de disco).
Het
gebruik van een klein toefje rood (zoals een red tag) of een
pietsie fluorescerend
materiaal in de body van een (droge) vlieg kan om deze reden
vaak wonderen doen.
Het
gedrag
Het
gedrag van de vlieg noemen we vaak de actie.
De
snelheid waarmee het aas gevist wordt valt hier ook onder,
alsmede het geluid dat de
vlieg maakt.
De
actie van een vlieg wordt in belangrijke mate bepaald door de
snelheid waarmee hij
wordt gevist, hoe hij aan de leader is geknoopt, het materiaal
waaruit hij is opgebouwd en
de gewichtsverdeling van de vlieg.
Vis
krijgt bijtneigingen van onregelmatige bewegingen van het aas.
Een nimf gebonden
aan een lijn 22/100 is erg statisch en zal weinig vangen.
Voor
een aantal soorten is de snelheid van het aas wel van heel groot
belang. Fint, makreel
en baars zijn hier goede voorbeelden van. Als je in de polder baars wilt
vangen moet je de
nimf snel voeren. Bij een kleinere ‘stripsnelheid’ vang je overwegend
voorn. Bij forel kun je
hier minder duidelijke uitspraken over doen. Een zalmeitje kun je bijna
statisch vissen,
hoewel je dan weer op andere dagen juist wat sneller moet
vissen. Het is een goede zaak
om te variëren in je stripsnelheid totdat je de beste methode
hebt gevonden.
De
knoop waarmee de vlieg aan de lijn is geknoopt kan ook bepalend
zijn. Marti van de
Brand heeft dit duidelijk gedemonstreerd op de club met zijn
plugjes en de waterbak.
De
actie en presentatie van het aas moet in ieder geval natuurlijk
overkomen en de vis de
indruk geven dat het een prooidiertje betreft.
Ook
het geluid is van groot belang. Het geluid wordt waargenomen
door de zijlijn van de vis.
Experimenten tonen aan dat forellen in staat zijn om ‘geblindoekt’ nimfen
te pakken in een
testbak. Het geluid van de zwemmende nimfen is genoeg voor de
forel om ze te lokaliseren
en te eten.
Op
stromend water kun je vooral bij kopvoorn het effect van geluid
op hun aasgedrag
waarnemen. Een grote sprinkhaan-imitatie die hard op het water
valt is dan ook een
dodelijk aas.
Ook
voor black-bass is geluid een belangrijke trigger. Poppers die
hard over het
wateroppervlak worden getrokken maken een plokkend geluid en een
aanval laat niet lang
op zich wachten.
Selectief voedselgedrag
Selectief voedselgedrag is een ander verhaal. Selectief azen
door de vis vindt plaats indien
er een overvloed van een specifieke aassoort is. Een hatch van een
bepaalde soort vlieg
zorgt ervoor dat de vis uitsluitend op deze vlieg aast en al het
andere links laat liggen.
Selectief aasgedrag lijkt een van die trucs van moeder natuur.
Waarom pakt een forel die
kleine vliegjes waarvan er honderden zijn wel en die ene grote dikke
bromvlieg (hoe
dikker des te meer energie) niet ?
Gedurende deze selectieve periode zal de vis zijn energie niet
verspillen aan het heen en
weer zwemmen om alles te pakken, maar rustig op zijn plekje blijven liggen
om zijn buik
rond te eten. Op deze manier verspilt hij weinig energie aan het
verzamelen van
ok niet-eetbaar) voedsel.
Het is
bekend dat forel op bepaalde perioden zelfs alleen maar
ei-leggende meivliegen
pakt of duikende caddisvliegen. Het kan de vliegvisser tot
uitzinnige waanzin brengen, maar
indien het juiste patroon is gevonden ook tot supervangsten leiden.
Selectiviteit is geen overwogen beslissing van de vis. Als het
specifieke voedsel veel
oorkomt, zal hij zich trainen in de herkenning ervan en daarna
fixeren zonder daarbij na te
denken.
De
vorm, het gedrag, de kleur en afmetingen zijn juist in deze
selectieve periode zeer
belangrijk voor de vis. Velen hebben de mening dat juist nu het
meest opvallende kenmerk
(ook wel het primaire kenmerk) van het aas tot uiting moet komen in of
vorm, of kleur, of
gedrag of afmeting. Dit kenmerk bepaald of de vis het aas
aantrekkelijk vindt of niet. In het
voorjaar op het Oostvoornse meer zie je dat bij inwaaiende
bibio’s. De vis aast selectief op
deze vliegen en andere patronen scoren beduidend minder. Het meest
opvallende
kenmerk (vorm ?) zet de vis aan tot bijten. Overigens moeten de
andere kenmerken
(3 secondaire kenmerken) ook wel kloppen, anders verdwijnt de
forel, na het controleren
van het aas, met opgetrokken neus de diepte weer in. |