Het ontwerpen van vliegen

                       Venster sluiten

 

Het binden van vliegen heeft als doel de vis te verleiden tot bijten in een imitatie van
zijn voedsel. Om succesvolle patronen te ontwikkelen en te maken is het belangrijk
iets te begrijpen van de vis en zijn prooi.

Wat vissen zien

De lichtgevoelige laag of retina in het oog van de vis bevat zowel staafjes als kegeltjes.
De staafjes zijn gevoelig voor zwart-wit en de kegeltjes voor kleur. De kwaliteit van het
beeld wordt bepaald door de hoeveelheid van deze staafjes en kegeltjes in het oog van
de vis. Hoe meer van deze structuren, hoe beter het beeld.

In de oog van een vis zijn deze hoeveelheden beduidend lager (14 keer) dan bijvoorbeeld
de mens. Het beeld dat een vis heeft, is dus van een veel lagere kwaliteit in vergelijking
met dat van een zoogdier. En dat is maar goed ook, want een vis zal zeker niet in een nimf
trappen met een nylon draad aan zijn neus en een krom stuk staal aan zijn achterste.

 
 

 

 

 
 

Hoewel het beeld niet optimaal is, de gevoeligheid voor contrast en beweging is echter
extreem goed ontwikkeld. Een vis zal dus zeker niet de details van de kieuwen van een
meivlieg-nimf zien, maar de beweging van deze kieuwen zal hem niet ontgaan.

Een vis zal niet happen in een vlieg die ‘drag’ vertoont, een onnatuurlijke beweging.
Dit kun je goed merken op stromend water. Indien de leader aan de vlieg gaat trekken
kun je een aanbeet wel vergeten.

Impressionistisch ontwerp

Omdat de vis een relatief slecht beeld heeft, zal het weinig zin hebben om met zeer
realistische imitaties (steenvliegen van bijvoorbeeld Nathan Drohm of Nico Slingeland)
te vissen. Om succesvol te vissen kun je volstaan met een impressie van de vlieg en
niet een exacte kopie ervan.

Net als impressionistische schilders als Monet en Renoir is een vis niet geïnteresseerd in
een fotografische weergave van het beeld, maar uitsluitend in de weergave van de essentie
van het object, dus eigenlijk datgene wat het herkenbaar maakt.

Het uitgangspunt zal dan ook moeten zijn dat de vlieg (voor het vissen) een goede indruk
moet geven op de vis en niet op de visser of zijn vismaten.

Natuurlijk is het binden van realistische vliegen een vak / hobbie apart en erg kunstig, maar
om mee te vissen minder succesvol. Daarnaast kost het erg veel tijd, tijd die je beter kunt
besteden aan vissen.

In het boek van Gary A.Borger wordt hierover het volgende gezegd :
"The flies used for so discriminating a fish as the trout should, first of all,
have the appearence of life."

Deze uitspraak is in Amerika dan ook daadwerkelijk gestaafd met allerlei experimenten
waaruit de volgende conclusie werd getrokken:

Vis pakt een prooi op uitsluitend op basis van afmeting, vorm, kleur en gedrag.

 

 

 

   
 

Opportunistisch voedselgedrag

Opportunistisch voedselgedrag van vis vindt plaats in bepaalde periodes die op een
willekeurig tijdstip van de dag of het seizoen voor kunnen komen. Deze periodes worden
gekenmerkt door een zeer beperkte aanwezigheid van (een bepaalde soort) insecten en
onregelmatige voedselactiviteit van de vis. De vis wil voedsel en eet dan ook alles wat hij
ziet. En hoewel afmeting, vorm, kleur en gedrag een grote rol speelt, maakt het hem niet
uit wat de vorm, kleur, afmeting en het gedrag van het aas is.

Op deze tijdstippen wordt alles gepakt wat door hem als voedsel wordt ervaren :
beetverklikkers, een takje, een pluisje en sigarettenpeuken.

Overigens is de ene vissoort opportunistischer dan de andere. Karpers en brasems zijn
vreselijke vreetzakken en eten bijna alles wat voorhanden is. Op een kalkrivier in
Engeland of Frankrijk zie je juist weer het tegenovergestelde.

De afmetingen van het aas

Afmeting kan een bepalende factor zijn gedurende het opportunistische voedselgedrag.
Tijdens deze tijden geldt de regel : groot aas, grote vis. De vis is dan niet geconcentreerd
op een bepaalde voedselsoort, maar pakt vooral grote prooien om veel energie te
verkrijgen. Wanneer je op deze wijze gaat vissen zul je echter weinig kleine vis vangen
door het grote aas.

Als je zeker weet dat er weinig grote vis is, kun je beter met kleiner aas gaan vissen om
wat meer kleinere vis te vangen.

De vorm

De vorm van het aas moet in ieder geval overeen komen met de aassoorten die de vis
gewend is te eten in zijn omgeving. Dit geldt met name in tijden dat de vis selectief aast.
Tijdens opportunistisch aasgedrag maakt de vorm niet zoveel uit.
Op het Oostvoornse meer kun je dit goed zien als je vist met zalmeitjes.
De forel die op dit water voorkomt heeft nog nooit een zalm gezien (hopelijk komt dat nog
een keer), laat staan een eitje ervan. Toch is dit een van de meest succesvolle patronen
voor dit meer.

Kleur

‘Onderwater vliegen’ gebonden met flitsende materialen erin verwerkt (tinsel of flashabou),
 iriserende kleuren (pauwstaart) of fluorescerende (glow-bug) materialen vangen heel goed
gedurende opportunistische perioden omdat zij sterk opvallen ten opzichte van de achtergrond.

Bij grotere diepten wordt het licht door het water volledig geabsorbeerd. In zoet water is al
het licht volledig verdwenen op een diepte van 12 meter. Rood licht is reeds verdwenen op
een diepte van 1,2 meter en blauw licht pas op een diepte van 12 meter. Om deze reden is
 een rode streamer op geringe diepte al snel grijs en verder naar beneden zelfs zwart.
Ook op deze grotere diepten is het gebruik van de bovengenoemde materialen in het
voordeel, omdat zij het nog aanwezige licht maximaal reflecteren en in het geval van
fluorescentie, licht uitstralen bij een andere golflengte (een soort black-light effect in de disco).

Het gebruik van een klein toefje rood (zoals een red tag) of een pietsie fluorescerend
materiaal in de body van een (droge) vlieg kan om deze reden vaak wonderen doen.

Het gedrag

Het gedrag van de vlieg noemen we vaak de actie.

De snelheid waarmee het aas gevist wordt valt hier ook onder, alsmede het geluid dat de
vlieg maakt.

De actie van een vlieg wordt in belangrijke mate bepaald door de snelheid waarmee hij
wordt gevist, hoe hij aan de leader is geknoopt, het materiaal waaruit hij is opgebouwd en
de gewichtsverdeling van de vlieg.

Vis krijgt bijtneigingen van onregelmatige bewegingen van het aas. Een nimf gebonden
aan een lijn 22/100 is erg statisch en zal weinig vangen.

Voor een aantal soorten is de snelheid van het aas wel van heel groot belang. Fint, makreel
 en baars zijn hier goede voorbeelden van. Als je in de polder baars wilt vangen moet je de
 nimf snel voeren. Bij een kleinere ‘stripsnelheid’ vang je overwegend voorn. Bij forel kun je
 hier minder duidelijke uitspraken over doen. Een zalmeitje kun je bijna statisch vissen,
hoewel je dan weer op andere dagen juist wat sneller moet vissen. Het is een goede zaak
om te variëren in je stripsnelheid totdat je de beste methode hebt gevonden.

De knoop waarmee de vlieg aan de lijn is geknoopt kan ook bepalend zijn. Marti van de
Brand heeft dit duidelijk gedemonstreerd op de club met zijn plugjes en de waterbak.

De actie en presentatie van het aas moet in ieder geval natuurlijk overkomen en de vis de
indruk geven dat het een prooidiertje betreft.

Ook het geluid is van groot belang. Het geluid wordt waargenomen door de zijlijn van de vis.
 Experimenten tonen aan dat forellen in staat zijn om ‘geblindoekt’ nimfen te pakken in een
testbak. Het geluid van de zwemmende nimfen is genoeg voor de forel om ze te lokaliseren
en te eten.

Op stromend water kun je vooral bij kopvoorn het effect van geluid op hun aasgedrag
waarnemen. Een grote sprinkhaan-imitatie die hard op het water valt is dan ook een
dodelijk aas.

Ook voor black-bass is geluid een belangrijke trigger. Poppers die hard over het
wateroppervlak worden getrokken maken een plokkend geluid en een aanval laat niet lang
op zich wachten.

Selectief voedselgedrag

Selectief voedselgedrag is een ander verhaal. Selectief azen door de vis vindt plaats indien
 er een overvloed van een specifieke aassoort is. Een hatch van een bepaalde soort vlieg
zorgt ervoor dat de vis uitsluitend op deze vlieg aast en al het andere links laat liggen.

Selectief aasgedrag lijkt een van die trucs van moeder natuur. Waarom pakt een forel die
 kleine vliegjes waarvan er honderden zijn wel en die ene grote dikke bromvlieg (hoe
dikker des te meer energie) niet ?

Gedurende deze selectieve periode zal de vis zijn energie niet verspillen aan het heen en
 weer zwemmen om alles te pakken, maar rustig op zijn plekje blijven liggen om zijn buik
rond te eten. Op deze manier verspilt hij weinig energie aan het verzamelen van
ok niet-eetbaar) voedsel.

Het is bekend dat forel op bepaalde perioden zelfs alleen maar ei-leggende meivliegen
pakt of duikende caddisvliegen. Het kan de vliegvisser tot uitzinnige waanzin brengen, maar
 indien het juiste patroon is gevonden ook tot supervangsten leiden.

Selectiviteit is geen overwogen beslissing van de vis. Als het specifieke voedsel veel
oorkomt, zal hij zich trainen in de herkenning ervan en daarna fixeren zonder daarbij na te
denken.

De vorm, het gedrag, de kleur en afmetingen zijn juist in deze selectieve periode zeer
belangrijk voor de vis. Velen hebben de mening dat juist nu het meest opvallende kenmerk
 (ook wel het primaire kenmerk) van het aas tot uiting moet komen in of vorm, of kleur, of
gedrag of afmeting. Dit kenmerk bepaald of de vis het aas aantrekkelijk vindt of niet. In het
voorjaar op het Oostvoornse meer zie je dat bij inwaaiende bibio’s. De vis aast selectief op
 deze vliegen en andere patronen scoren beduidend minder. Het meest opvallende
kenmerk (vorm ?) zet de vis aan tot bijten. Overigens moeten de andere kenmerken
(3 secondaire kenmerken) ook wel kloppen, anders verdwijnt de forel, na het controleren
van het aas, met opgetrokken neus de diepte weer in.

 
 

 
 
 

Snoeken kunnen ook van die ‘kat uit de boom kijkers’ zijn op bepaalde dagen. Met de
neus bijna op de streamer meezwemmend lijkt het wel of zij deze secondaire kenmerken
niet vertrouwen.

Weersomstandigheden en een eventuele stroming in het water spelen natuurlijk ook een
belangrijke rol hierbij. Bij spiegelglad water zal de vis de vlieg beter kunnen inspecteren op
 de secondaire kenmerken en een weigering zal derhalve eerder optreden.

Tot zover de informatie die het boek "Designing trout flies" van Gary A.Borger mij gaf.

Een schitterend boek van een van de ‘hote-me-toten’ van het vliegbinden en vissen in de
US. Deze kennis vormt de basis voor een ieder die in elke omstandigheid en met een
minimum aan materialen een succesvolle vlieg wil maken.

Yme Dikkerboom

 

                        Venster sluiten